ze zitten in de bomen
hier is het vooralsnog, voor mij althans, wel kalm
maar in het andere bos moet je dus echt niet komen
daar gooien ze noten, dennenappels zonder blozen
takken die ons wakker schudden, natuurlijk nodeloos
ze zijn te laat: het kan niet lukken
aan ons al lang de furiën
funest voor alles wat we zijn
voortdurend vrezen we dat ze verdwijnen
toch ontwijken we hun pijlen
brein genoeg hier: alleen maar doctorandussen
plus bijna een professor of whatever, bepaald niet achterlijk
nog aangevuld met de waarachtig domme kracht
van de door haar meegebrachte veldwachter
toch zijn we allerminst bij machte in te grijpen:
tegen van boven komend onheil
helpt nog niet de hoogstdravende gedachte
tijd heelt alle wonden, zeggen ze
wat onzin is: op elke nieuwe foto ongezonder
maar dat zien we niet, want zelfs koorts is relatief
daarover gesproken,
hoe zat het ook alweer met tijd die vliegt?
Ik lijk blij.
Dat is bedrog.
Zelfs al ben ik blij,
Lieg ik nog.
Ik weet niet wat ik doe,
Ik weet niet wat ik voel.
Ik voel me afgesloten,
Als je weet wat ik bedoel.
Ik lieg,
Ik ben mezelf niet.
Ik ben alleen,
En niemand die me ziet.
Lachend door het leven,
Vol met verdriet.
Ik kan er niet meer tegen.
Zo ben ik niet!
Het silhouet van het glansrijk
stroomt langs de kustlijnen
als een begin of een eind
van getijdige draaipasjes
rondom ons
golven de wateren mee
natuurkrachtig naar
aangespoelde omhelzingen.