Zon schijnt pal de steeg in vanachter de watervitrage,
miniscule gloeilampjes barsten op de klinkers.
Stroompjes vanaf luifenhoeken.
Oren voor de helft in mijn kraag.
Mensen schieten voorbij en ik mensen.
Soms vang ik halve zinnen op:
...Ja, het lijkt wel of... ...denkt zeker dat ie... ...appig joh, maar... ...zeker frustrerend... ...whatever, het gaat... ...anders of zo...
Soms ook een gesprek:
"Hey man,alles goed?"
"Ja man, met jou?"
"Ja man, ook... lekker sigaretje aan het roken?"
"Ja man, moet ook gebeuren."
Linksaf, de dom.
Vaderlijk streng, een oog met gouden wijzers, houterig steen, donkergrijze mantel.
Ik zeg: "Hey man, alles goed?"
Niemand hoort het,
mond in mijn kraag.
Het oog wijst tien over half één aan;
je "J" van "Ja man, met jou?"
elektrisch
eclectisch
aards
masculien
rauw
wonderschoon,
een wervelwind
die
het mijne
getroffen heeft
en de gevolgen
zullen altijd
zichtbaar
en
voelbaar
zijn en blijven
verre verwant
ik zing niet van mijn lichaam
ben daar te preuts voor
ik zing wel van mijn geest
die ligt in mijn verzen
open en bloot
te grabbel gegooid
zo is dat nu eenmaal
natuur en landschap
bewonderen wij
interesse en voorwaarde
die liggen in mijn verzen
mooi ongenaakbaar te wezen
door ons met ontzag bekeken
zo is dat nu eenmaal
draait dreadlocks in mijn hersenen
en als ik ze wil ontrafelen knoopt hij de metaforen
met een stevige zeemansslag vast
zijn ringvinger wijst naar gisteren
hij verzwijgt het graf en ik
het weten van
met lange poten vlekt hij een giraf over een rotte wond
ik raap de vallende bladeren en kijk met argusogen
hoe hij honderd poppetjes tekent op de barricade
hij lacht smalend
proost me jonge dromen toe
de muze is allang geleden gevallen
ik veeg het roet bijeen
vouw de achterpaden naar het narrenhof open
neem zijn hand in de mijne en breng hem naar de kasteelvrouw
die bij de openhaard het paard van stal haalt
ik zing onder de pilaren nog eenmaal
het refrein van de verlorenen
blaas een en ander om
klink op een goede vriend en drink de geest in de fles op