Ik ben oud
Mank en traag
Een onderlaag
Verzet
Verbeten
Maar versleten mijn gewrichten
Ik zie medelijden bij de mensen
Steeds vaker in gezichten
Ik was zo jong
Zo onbezonnen
Nu heeft de dood mij bijna ingehaald
Maar niet mijn geest
Die scherp ik in gedichten
Hoe heet die vrouw ook weer
Ik kom niet op die naam
die stad
Waar ik toch vaker was
Ik wou dat ik maar beter las
Soms zwermen zinnen door mijn zicht
Die ook niet duidelijker worden
In het licht
Een mist van ergernis
Maar mijn gehoor is echt perfect
Geen toon die troebel vaag bevlekt
Mijn creativiteit niet uitgeblust
Dan weet ik plotseling weer haar naam
Haar stem haar geest
Haar ogen zijn het vast geweest
Die zinderen na
Als een cognac verwarmend feest
Want wat ik steeds weer vrees
Dat mensen van weet ik veel naar weinig neigen
Mijn hersens straks voor eeuwig zwijgen
Toch is mijn naam steeds anti faam
Ik hoef geen oskar meer te krijgen.
rustig sjokken we voort
passeren duizend dorpjes
die we soms rechts maar altijd links
laten
we nooit meer stoppen
denk ik wijl ik sporen trek
in zachte sneeuw, met jou
in mijn hand, sla ik
vrieskou van mijn lijf
en dat van jou, maar
jij hebt niets in de
gaten
heb ik in mijn hart
al klaag ik niet
en breng je naar het eind
der tijd, straks als we van
het dak van de wereld
jouw lichaam zweven