Je lijkt op iemand
die ik liefheb
ga mee naar mijn lettertuin
waar we woorden zaaien
geur van vroeger proeven
zinken in het moeras van liefde
roest van enkels
en handen kloppen
woorden voeten geven
kom dans met mij
Een schreeuw en een lach doorbreken de nachtelijke stilte.
De tijd kruipt voorbij, erg langzaam..
En de koele zomerwind kruipt door mijn zolderraam.
Zielsgelukkig, helemaal alleen.
Van de binnenkant vrij,
van de buitenkant misschien een beetje gemeen.
Ik ben de ongekroonde keizer van mijn wereld.
Mensen werken overdag, ze zitten achter een kantoor of sommige staan op wacht.
De klopjacht op de dag had ik nooit verwacht.
Rot op met de zon, lang leve de nacht.
Ik ben hier de Grote Man.
Pleur op met de wereld, ik trek mijn eigen plan.
het pijnigt mij, met ieder woord
voelen aan ’t wij dat niet meer leeft
zweef ‘k voort zonder een haast naar
elke plaats die aan mij kleeft
in ademloze pauzes; nooit hier, nooit daar
scherven liggen achter ’t gaan
van jou vermoed ‘k een blik terug; het steekt
en ik versplinter in jouw blauw
als spiegel die in stukken breekt
ons leven was nooit grauw.